Belasting op inkomsten

Belasting op inkomsten Het betalen van belastingen bestaat al eeuwen. De meeste belastingen die u vandaag moet betalen zijn ontstaan uit belastingen die uw voorvaderen ook al betaalden. Belasting betalen begon met allerlei los staande heffingen die vaak tamelijk willekeurig werden opgelegd. Pas in de meer recente geschiedenis ontstaat een meer maatschappelijk verantwoorde belastingheffing. In de achttiende eeuw gaat het voornamelijk om belastingen op noodzakelijke levensmiddelen als brandhout, zeep, zout, graan, vlees, wijn, turf, kolen en wol. Omdat niemand zonder deze producten kan leven, is de overheid verzekerd van inkomsten. De overheid gebruikt dat geld voor de bescherming van land en inwoners (defensie), de handhaving van de openbare orde (politie) en de regulering van verkeer, waterstaat en handel.

In 1806 wordt een stelsel van algemene belastingen ingevoerd waarin onder meer een bescheiden belasting op ondernemingen is opgenomen. De betekenis van het stelsel zit vooral in het bereiken van eenheid van de Nederlandse belastingheffing.

In 1914 ontstaat de eerste vorm van belasting op inkomen. Het doel van het invoeren inkomstenbelasting is vooral om de rijken in Nederland zwaarder te belasten. De rol van de overheid is sindsdien alleen maar groter geworden. Vandaar dat de overheid steeds meer geld nodig heeft om alle taken te kunnen uitvoeren. Nieuwe belastingssoorten, zoals omzetbelasting en vennootschapsbelasting worden ingevoerd.

Na de Tweede Wereldoorlog is het belastingstelsel uitgegroeid tot een systeem dat gekenmerkt wordt door twee belangrijke uitgangspunten: het draagkrachtbeginsel en het profijtbeginsel. Als mensen meer profijt hebben van een bepaalde overheidsvoorziening dan anderen, moeten zij er ook meer voor betalen. Dat is de kern van het profijtbeginsel. Daarom betalen automobilisten wegenbelasting en niet-automobilisten niet. De wegenbelasting wordt gebruikt om de aanleg en het onderhoud van wegen te betalen.

Daarnaast hanteert de overheid het draagkrachtbeginsel. Dat gaat ervan uit dat de sterkste schouders de zwaarste last kunnen dragen. Dus hoe hoger het inkomen, hoe meer belasting men moet betalen. De overheid hanteert tegenwoordig, behalve het profijt- en het draagkrachtbeginsel, ook het principe van 'de vervuiler betaalt'. Dat principe is bijvoorbeeld van toepassing als de overheid belasting heft op milieuvervuilende activiteiten.